Het Haarlemmermeer als binnenzee
Eeuwenlang bestond op de plek van het huidige Hoofddorp geen land, maar water. Het Haarlemmermeer was een uitgestrekte binnenzee tussen Amsterdam, Haarlem en Leiden, ontstaan uit een aaneenschakeling van kleinere veenmeren die door turfwinning en stormen steeds verder waren samengegroeid. Bij westenwind sloegen golven hoog op tegen de oeverdorpen; bij zuidwesterstormen werden dijken aan de oostzijde bedreigd. De grillige plas had de bijnaam Waterwolf, omdat hij stukken oever letterlijk verslond.
Al in de zeventiende eeuw schreef de Rijpse waterbouwkundige Jan Adriaensz. Leeghwater zijn Haarlemmermeerboeck, met een gedetailleerd plan om het meer met windmolens droog te malen. De technologie van die tijd was er nog niet aan toe — er zouden honderden molens nodig zijn — maar het idee bleef circuleren. Pas in de negentiende eeuw, met de opkomst van de stoommachine, werd droogmaking technisch en financieel haalbaar.
De directe aanleiding was een reeks zware stormen. In november 1836 joeg de wind het water tot aan de poorten van Amsterdam; in december datzelfde jaar stond Leiden onder. Koning Willem I gaf de opdracht het meer voor eens en altijd droog te leggen.